Skip to content
mei 8 / admin

Wat we niet kennen – Gilles Boeuf

 

Wat we niet kennen

de gezichten zijn gezichten van het men
die we zien, iedere dag,

van de rijen gesneuvelden, de veroveringen,
de verhalen malen iedere oorlog
tot een boek van gezichten

wat we niet kennen is zo veel
de ruimte zo groot van heden naar verleden
van men naar hier, hier zijn jij en ik

de windstreken die niet samenkomen
rivier en bedding liggen uiteen

jij prikt die grote ruimte met een naald
gezicht en hand, verleden en heden
lichten op

alles wordt verhaal in de eindeloze ruimte
maar de werken
zijn de werken van de mens
jij en ik, hier

voor Sara Vrugt

 

mrt 31 / admin

Over hoe de lente zich nergens wat van aantrekt – Milla Braat

 

Dinsdagochtend
ik draai drie sloten van mijn voordeur dicht en draai me om naar de straat
Vanachter de heg springt de lente me tegemoet
“Hallo! Daar ben ik dan weer!” schreeuwt ze
“Verrek, daar ben je!” zeg ik
Ik klim op mijn fiets,
zij klimt op mijn rug, trekt de muts van mijn hoofd
gaat staan op mijn schouders
Mijn fiets zwalkt, ik maak mijn bochten onvoorzichtig
Ik kijk in elke winkelruit

Woensdagochtend
ik draai drie sloten van mijn voordeur dicht en draai me om naar de straat
ik wacht een minuut.
“Waar ben je” schreeuw ik.
ik stap op mijn fiets, trek mijn muts over mijn oren
neem de kortste weg

Donderdagochtend
ik draai drie sloten van mijn voordeur dicht en draai me om naar de straat
“Ben je daar” zeg ik meteen
“Nee, hier ben ik” schreeuwt de lente, ze staat aan het einde
van de straat
Ik spring op mijn fiets, race naar het einde van de straat
ze staat aan het einde van de volgende straat
“Kom dan!” schreeuwt ze
” ’t is goed met je” schreeuw ik terug
Ik fiets terug naar huis

Vrijdagochtend
ik draai drie sloten van mijn voordeur dicht en draai me om naar de straat
“Héé! Wat fijn dat je er bent” schreeuwen honderd lentes me tegemoet
Achter elk raam, op elke grasspriet, in elke lantaarnpaal zit een lente
Met mijn fiets aan de hand wandel ik tussen de lentes door
ik groet ze allemaal, hang mijn jas over mijn stuur
ik kom oude vrienden tegen op straat
“Het is lente!” schreeuw ik tegen hen
Ik voel drie druppels, achter elkaar, op mijn neus
Ik kijk om me heen. Alle lentes zijn verdwenen
Ik stop en ren een café in, ik gooi mijn muts op de bar
Een man draait zich naar mij om en zegt
“21 maart, dán is het écht lente!”


mrt 31 / admin

Belofte-Gilles Boeuf

 

Met een noot liep ik
door de stad
in mijn jas, voor
mijn ogen
een hand als
bescherming

Milde stralen
doorstond ik,
omringd door
doorschijnende straten
zoals stilte een
woord bewaren kan

Een noot is de huid
van de lente,
de jas het omhulsel
van een grote lange
droom,
een heel oud lied
dat je net niet kan bereiken

De noot belooft alles

 

mrt 31 / admin

Heimelijk genoegen-Diann van Faassen

 

Een
twee drie
op de fiets
met ogen stijf dicht
recht rijden langs de kade
Naast me trekt het donkere water
verhindert me doorgaans tien tellen te halen
altijd van schrik bij zes ogen weer open
Vandaag wuift zonneschijn de angst voor zere plekken weg
na negen verschijnt druifjesblauw op elleboog en knie de
lente

( De dichtvorm is een e.d.i.t., en dit is tien,
verzonnen door Jessica van der Burg www.editgewijs.nl
)

mrt 31 / admin

De eerste zonnestralen- Harry Zevenbergen

 

Vandaag de lente net één dag oud lees ik in de krant
Dat optimisme en een goed humeur mijn leven bekorten
Ik schiet direct weer terug in mijn winterdepressie
Krokussen verschrompelen onder mijn blik
Vogels stappen geschrokken van F majeur over naar B mineur
Blaadjes in de knop vallen massaal uit de bomen
Lente van mij hoeft het niet meer
Laat mij mezelf maar oud mopperen

Vandaag de lente net één dag oud lees ik in de krant
Dat optimisme en een goed humeur mijn leven bekorten
Een tandje bijschakelend attaqueer ik de wereld vol overmoed
Moedig de vogels aan zing met hen de blaadjes aan de bomen
Koop de winkels leeg met geld wat ik nog niet heb
Steek de straat over zonder kijken balanceer langs ravijnen
Verklaar iedere voorbijganger de eeuwige liefde
Geef me lente meer lente langere lente

mrt 31 / admin

Voorjaar – Anne-Tjerk Mante

 

Met een kop koffie in de hand de tuin in
Een eerste zonnestraal kruipt m’n kruin in

 


mrt 24 / admin

Over hoe de lente zich nergens iets van aantrekt

Over hoe de lente zich nergens iets van aantrekt

Een gedicht over/voor de lente door Milla Braat

Dinsdagochtend
ik draai drie sloten van mijn voordeur dicht en draai me om naar de straat
Vanachter de heg springt de lente me tegemoet
“Hallo! Daar ben ik dan weer!” schreeuwt ze
“Verrek, daar ben je!” zeg ik
Ik klim op mijn fiets,
zij klimt op mijn rug, trekt de muts van mijn hoofd
gaat staan op mijn schouders
Mijn fiets zwalkt, ik maak mijn bochten onvoorzichtig
Ik kijk in elke winkelruit
 
Woensdagochtend
ik draai drie sloten van mijn voordeur dicht en draai me om naar de straat
ik wacht een minuut.
“Waar ben je” schreeuw ik.
ik stap op mijn fiets, trek mijn muts over mijn oren
neem de kortste weg
 
Donderdagochtend
ik draai drie sloten van mijn voordeur dicht en draai me om naar de straat
“Ben je daar” zeg ik meteen
“Nee, hier ben ik” schreeuwt de lente, ze staat aan het einde van de straat
Ik spring op mijn fiets, race naar het einde van de straat
ze staat aan het einde van de volgende straat
“Kom dan!” schreeuwt ze
” ’t is goed met je” schreeuw ik terug
Ik fiets terug naar huis
 
Vrijdagochtend
ik draai drie sloten van mijn voordeur dicht en draai me om naar de straat
“Héé! Wat fijn dat je er bent” schreeuwen honderd lentes me tegemoet
Achter elk raam, op elke grasspriet, in elke lantaarnpaal zit een lente
Met mijn fiets aan de hand wandel ik tussen de lentes door
ik groet ze allemaal, hang mijn jas over mijn stuur
ik kom oude vrienden tegen op straat
“Het is lente!” schreeuw ik tegen hen
Ik voel drie druppels, achter elkaar, op mijn neus
Ik kijk om me heen. Alle lentes zijn verdwenen
Ik stop en ren een café in, ik gooi mijn muts op de bar
Een man draait zich naar mij om en zegt
“21 maart, dán is het écht lente!”

Milla Braat

feb 21 / admin

Brengt een verhuizer zijn werk mee naar huis? – Harry Zevenbergen

 

Moet de man van de prostituee betalen voor liefde?
Wiedt de tuinman zijn eigen tuin of huurt hij een collega?
Spreekt de dichter slechts in metaforen en rijmschema´s?
Werkt de agent op een familiefeest door aan zijn bonnenquota?

Leest een leraar ook zijn eigen kinderen de les?
Houdt de postbode zich aan het briefgeheim op zijn mat?
Heeft een stotteraar wel eens een vrije dag?

Doodt een huurmoordenaar ook voor zijn plezier?
Stelt de politicus in bed slaapkamervragen?
En jij leg jij voor het slapen je schoonheid af?

Staan hardlopers wel eens stil bij de dood?
Hoe laat een zwijger van zich horen?
Hoe vaak komen engelen op aarde?
Zal ik vandaag mijn liefde aan jou openbaren?

Harry Zevenbergen

feb 21 / admin

Liefst van jou – Diann van Faassen

 

Mijn dagen vul ik met liefs
van jou, een glimlach
knikje of zacht hallo

Het licht in de kamer
laat je schaduw aan tafel of
op de bank een boterham eten

Om de hoek neem ook
ik een broodje, de saus
van mijn lippen geveegd

met een doekje uit je vuilniszak
Alsof je vingers mijn mond
voorzichtig strelen

Ik heb lang genoeg gewacht
Ik kan geen dag, ik ken geen
dag zonder jou

Ik vul mijn dagen het liefst met jou
-misschien ken je me al een beetje-
Mijn dagen vul ik met liefs van jou

 

feb 21 / admin

Konijntjes – Milla Braat

 

In een klein mandje dat ergens in een hoekje
van een bijzonder knus boshuisje stond
woonden twee konijntjes

Of ja, ’t waren natuurlijk geen echte konijntjes,
en ze woonden ook eigenlijk niet in een boshuisje
maar het waren twee mensen die,
ergens in een grote stad,
heel veel van elkaar hielden,
en die af en toe zomaar deden of ze konijntjes waren
in een boshuisje

De een zei ook wel eens tegen de ander
‘Roaah, ik ben een dinosaurus’
waarop de ander ademloos toekeek hoe de een zich
zo groot mogelijk maakte en met zijn armen zwaaide

Als de een dan zei “Roaah, ik kom je pakken!’
dan rende ander gillend weg en lagen ze later samen,
moe van de slappe lach en het stoeien, op het tapijt

en soms, als een van de twee verdrietig was
dan liet de ander een bad vollopen
en ging er dan op een stoel bij zitten
en voorlezen uit een lief boekje

zo, met kopjes thee en buikmassages
met knuffelen onder de dekens
en een wedstrijdje wie het liefste
naampje kon verzinnen voor de ander
waren er vele eeuwige momenten
waarin alles goed was
zolang ze met zijn tweeën waren
de voordeur dicht bleef
de telefoon uit
en de verwarming
op twintig stond